28 november 2010

Betaal hypotheekrente vooruit


Als uw belastingdruk in box 1 in 2011 lager zal zijn dan dit jaar, bijvoorbeeld omdat u in 2011 65 jaar wordt, is het voordelig om (hypotheek)rente op uw eigen woning/hoofdverblijf nog dit jaar vooruit te betalen. Vooruitbetaalde rente die betrekking heeft op de periode tot 30 juni 2011 is dit jaar onbeperkt aftrekbaar.

Loopt de verplichting om rente te betalen door tot ná 30 juni 2011 – bijvoorbeeld als in de leenovereenkomst expliciet is vastgelegd dat de rente jaarlijks vervalt op 1 december – dan is het niet mogelijk om rente aftrekbaar vooruit te betalen. Uiteraard kunt u dan wél in overleg met de schuldeiser de condities van de lening zodanig aanpassen dat aftrek van vooruitbetaalde rente alsnog mogelijk wordt.

Door de (hypotheek)rente dit jaar vooruit te betalen, krijgt u eerder en meer belasting terug over de vooruitbetaalde rente. Dat voordeel moet u afwegen tegen het nadeel van het vooruitbetalen van de rente.



Besparing Box 3


Als u dit jaar in privé nog een nieuwe auto en/of een nieuwe inboedel voor uw woonkamer koopt, bespaart u dat belasting in box 3. Dergelijke bezittingen behoren niet tot de grondslag voor de vermogensrendementsheffing. Dat betekent dat als u de aankoop voor bijvoorbeeld EUR 50 000 nog dit jaar afwikkelt, uw vermogen in box 3 per 31 december 2010 én 1 januari 2011 met EUR 50 000 is verminderd, terwijl u de waarde van verkregen auto en/of inboedel niet in box 3 hoeft aan te geven. Dat bespaart u over 2010 1,2% van 1/2 x EUR 50 000 = EUR 300. Door de aftrek per 1 januari 2011 bespaart u eenzelfde bedrag nogmaals in 2011 op de box 3-heffing. In totaal is dat EUR 600 voordeel.



Fiscaal partnerschap per 1 januari 2011


geplaatst in: Algemeen

Per 1 januari 2011 worden de regels voor het fiscaal partnerschap – in de inkomstenbelasting – flink gewijzigd. Uitgangspunt van de nieuwe regeling is dat gehuwden en geregistreerd partners altijd fiscaal partner zijn, ongeacht of zij samenwonen. Ongehuwd samenwonenden zijn in enkele aangewezen situaties verplicht fiscaal partners, in andere situaties – met name voor samenwoners zonder een notariële samenlevingsovereenkomst – vervalt de mogelijkheid om te kiezen voor een fiscaal partnerschap. Het nieuwe fiscale partnerbegrip gaat direct per 1 januari 2011 in; er geldt géén overgangsregeling.

Vanaf 1 januari 2011 bent u voor de inkomstenbelasting ‘verplicht’ fiscale partners als:

  • u gehuwd bent, of een geregistreerd partnerschap bent aangegaan.
    Niet meer van belang is of u en uw echtgenoot samenwonen of op hetzelfde adres staan ingeschreven bij de gemeente. Echtgenoten die al jaren duurzaam gescheiden leven, zijn vanaf 1 januari 2011 ‘ineens’ weer fiscale partners. Met alle gevolgen van dien, bijvoorbeeld voor de aftrek van eigenwoningrente. Echtgenoten die (civielrechtelijk) zijn gescheiden van tafel en bed zijn géén partners.
  • u ongehuwd samenwoont en beiden ingeschreven staat op hetzelfde woonadres bij de gemeente én u
    • een notarieel samenlevingscontract heeft, of
    • woont in een woning waarvan u beiden (gezamenlijk) eigenaar bent, of
    • samen een kind heeft, of
    • de ene partner het kind van de andere partner heeft erkend, of
    • u uw huisgenoot heeft aangewezen als gerechtigde tot het partnerpensioen.

    Ongehuwd samenwonenden zijn ook verplicht partner als ze in het voorafgaande jaar als fiscale partners kwalificeerden en nog steeds op hetzelfde woonadres bij de gemeente staan ingeschreven.
    Samenwoners die niet voldoen aan één van de hiervoor genoemde vereisten, zijn vanaf 2011 géén fiscale partners meer. De mogelijkheid om voor het fiscale partnerschap te kiezen vervalt.

Bij het Belastingplan 2011 is voorgesteld om de voorwaarde van inschrijving op hetzelfde adres te laten vervallen als zo’n inschrijving niet mogelijk is door opname in een verpleeg- of verzorgingshuis.

Bron: Belastingzaken november 2010



Vpb-tarief in 2011 met 0,5% omlaag


geplaatst in: BV

Het algemene tarief van de vennootschapsbelasting gaat per 1 januari 2011 omlaag en wel van 25,5% naar 25%. Dit tarief geldt alleen voor winst in de bv boven de € 200.000,–. Voor de winsten              tot € 200.000,– blijft het huidige tarief van 20% gehandhaafd.

Verwacht uw bv over 2011 en latere jaren een winst te behalen van meer dan € 200.000,– dan kan het voordelig zijn om al dit jaar te “schuiven” met kosten, lasten en opbrengsten om optimaal gebruik te maken van de lagere belasting.



8 november 2010

Werkkostenregeling (deel 3)


Dit is het derde artikel in de drieluik over de werkkostenregeling. In dit artikel gaan we in op de administratieve gevolgen van de invoering van de werkkostenregeling. Ook geven wij een stappenplan als leidraad voor de overgang naar de werkkostenregeling.

Aanpassen van de administratie
Volgens Financiën zal de werkkostenregeling het voor de werkgevers een stuk eenvoudiger maken. Door de forfaitaire heffing op werkgeversniveau hoeft men de kosten niet meer individueel aan de werknemers toe te rekenen. Daardoor is het ook mogelijk een aansluiting te maken tussen de financiële administratie en de loonadministratie.
Of het straks ook daadwerkelijk eenvoudiger wordt, mag iedereen voor zich uitmaken. Feit is wel dat de meeste werkgevers hun financiële administratie moeten aanpassen. De administratie moet namelijk zodanig zijn, dat men iedere maand inzicht heeft in de omvang van de werkkosten. Tot 1,4% van de loonsom (de vrije ruimte) blijven de werkkosten onbelast, daarboven zijn de werkkosten belast. De heffing vindt plaats via het systeem van eindheffing tegen een vast tarief van 80%. De werkgever kan eindheffing voorkomen door vooraf met de werknemers af te spreken dat bepaalde kosten als loon worden aangemerkt. Die werkkosten worden dan via de loonstrook van de werknemer belast. Dit doet men uiteraard alleen indien men vooraf verwacht dat de werkkosten het forfait van 1,4% overtreffen. De keuze hoeft men niet apart vast te leggen, maar mag blijken uit de administratie.

Vaststellen van de werkkosten
De Belastingdienst geeft aan dat men de eindheffing op drie manieren kan berekenen:

  • Men schat de vrije ruimte op basis van de loonsom van het voorafgaande kalenderjaar. Vanaf het moment dat de werkkosten boven de vrije ruimte uitkomen, geeft men dit in de aangifte aan. Na afloop van het jaar herrekent men op basis van de werkelijke loonsom.
  • Men schat de vrije ruimte op basis van het voorafgaande kalenderjaar en verdeelt dit over 12 maanden. Per maand toetst men of de werkkosten boven de vrije ruimte uitkomen. Na afloop van het jaar herrekent men op basis van de werkelijke loonsom.
  • Men berekent iedere maand de vrije ruimte op basis van de werkelijke (cumulatieve) loonsom.

In alle gevallen moet men in staat zijn om iedere maand de (cumulatieve) omvang van de werkkosten vast te stellen. En let wel: voor de loonadministratie telt de btw mee! Terwijl de btw meestal niet op de grootboekrekening wordt geboekt. Men moet de administratie dus zodanig inrichten dat de werkkosten kunnen worden verhoogd met het daarbij behorende btw-bedrag. Het ligt voor de hand om voor de werkkosten één of meer grootboekrekeningen aan te maken.
Maar eerst nog even de kosten die als werkkosten worden aangemerkt. Representatiekosten, kerstpakketten, personeelsfeesten, bovenmatige reiskostenvergoedingen, verkeersboetes, parkeergeld, fiets, internetabonnement, bedrijfsfitness en maaltijden in bedrijfskantines worden onder meer als werkkosten aangemerkt. Nu boekt men deze kosten vaak op verschillende grootboekrekeningen of projecten. Denk bijvoorbeeld aan representatiekosten, die onder de verkoopkosten worden geboekt. Of verkeersboetes en parkeergeld die onder de autokosten worden geboekt. De meeste werkgevers zijn dan ook niet in staat om nu snel de omvang van de werkkosten vast te stellen.

Categorieën werkkosten
Een aantal van de werkkosten wordt tegen de factuurwaarde belast, een aantal – zoals bedrijfsfitness op de werkplek en maaltijden in bedrijfskantines – tegen een lagere forfaitaire waarde. We kunnen vier categorieën werkkosten onderscheiden, namelijk werkkosten die tegen:

  • de factuurwaarde in de eindheffing wordt betrokken;
  • de forfaitaire waarde in eindheffing wordt betrokken;
  • de factuurwaarde op de loonstrook wordt belast;
  • de forfaitaire waarde op de loonstrook wordt belast.

 

Om de administratieve lasten te beperken is het zinvol dat men dit onderscheid ook in de administratie maakt. De representatiekosten moeten dus niet langer als verkoopkosten worden geboekt, maar op één van deze categorieën.
Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor de verkeersboetes, parkeergeld en alle overige werkkosten. In voorkomende gevallen zal men zelfs facturen moeten splitsen. Bijvoorbeeld de factuur voor kerstpakketten, waarbij ook voor gepensioneerden een kerstpakket is besteld. Het deel dat ziet op de werknemers valt onder de werkkostenregeling.

Vaste kostenvergoedingen
Ook moet men vaste kostenvergoedingen mogelijk splitsen. Net zoals onder de huidige regeling is het van belang dat aan de vaste kostenvergoeding een goede specificatie en onderbouwing ten grondslag ligt. Voor zover de vaste kostenvergoeding ziet op kosten waarvoor een gerichte vrijstelling bestaat, moet de onderbouwing vooraf plaatsvinden. Dat betekent dat men vooraf een onderzoek moet doen naar de omvang van de kosten. Doet men dit onderzoek niet, dan valt dit deel van de vaste kostenvergoeding volledig onder het forfait. De overige kosten die door de vaste kostenvergoeding worden gedekt, worden als werkkosten aangemerkt. Dat deel van de kostenvergoeding valt onder het forfait.
Let op: bestaande afspraken met de Belastingdienst over vaste kostenvergoedingen komen te vervallen op het moment dat men overgaat naar de werkkostenregeling.
Betaalt men de vergoeding dan door, dan valt de vergoeding onder het forfait met uitzondering van het deel dat als gerichte vrijstelling wordt aangemerkt. In dat geval moet men wel vooraf onderzoek hebben gedaan naar de omvang van die kosten.

Eigen bijdrage van de werknemers
De eigen bijdrage van de werknemers mag uiteraard in aftrek worden gebracht op de werkkosten. Het komt vaak voor dat werknemers een eigen bijdrage betalen voor bijvoorbeeld bedrijfsfitness, een fiets en maaltijden in bedrijfskantines. De eigen bijdrage mag dus in aftrek worden
gebracht, maar tot maximaal het bedrag dat als werkkosten wordt aangemerkt. Maaltijden in een bedrijfskantine worden fiscaal op € 2,90 (bedrag 2011) gewaardeerd.
Betaling van een eigen bijdrage van meer dan € 2,90 leidt niet tot een negatief bedrag: maximaal is € 2,90 aftrekbaar. Het ligt voor de hand om de eigen bijdrage van de werknemers op dezelfde grootboekrekening te boeken als de kosten.

Vrijstellingen
In het eerste artikel hebben we gezien dat de intermediaire kosten, gerichte vrijstellingen (zoals de reiskosten en scholing) en werkgerelateerde verstrekkingen (zoals mobiele telefoons en werkkleding) buiten de belastingheffing blijven. Voor deze kosten hoeft men geen aparte grootboekrekeningen aan te maken.

Belastingplan 2011
Op Prinsjesdag is bekend geworden dat vergoedingen of verstrekkingen ter zake of in de vorm van vakliteratuur en kosten van inschrijving in een beroepsregister onder een gerichte vrijstelling gaan vallen. Een nihilwaardering voor ter beschikking gestelde werkkleding met een logo van ten minste 70 cm2 is ook aangekondigd; deze vrijstelling komt naar verluid waarschijnlijk in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Aanvankelijk was het de bedoeling dat werkkleding voorzien van een voldoende groot logo onder het forfait van de werkkostenregeling zou gaan vallen. Deze beperking zal dus ongedaan worden gemaakt.
Stappenplan
Tot slot van deze drieluik geven wij aan langs welke stappen de overgang naar de werkkostenregeling kan plaatsvinden. Eerst moet men een keuze maken wanneer men overgaat naar de werkkostenregeling. Daarna moet men de administratie gereed maken voor de overgang.

Stap 1: stel de omvang van de werkkosten vast.
Vanuit de administratie kan men de omvang van de werkkosten vaststellen. Belangrijk is dat men hierbij de btw niet vergeet, deze telt voor de loonheffingen immers wel mee.

Stap 2: bereken de verschuldigde belasting onder de huidige regels.
De verschuldigde loonheffingen kan men uit de loonadministratie halen. De loonheffing bestaat uit de eindheffing (denk aan de kerstpakketten) en de normale loonheffingen (werknemers- en werkgeverslasten).

Stap 3: bereken de verschuldigde loonbelasting met toepassing van de werkkostenregeling.
Indien de werkkosten het forfait van 1,4% niet overtreffen, vindt geen heffing plaats. Bedragen de werkkosten meer dan 1,4% van de loonsom, dan bestaat de loonheffing uit eindheffing (tarief 80%) en, indien men daarvoor kiest, de normale loonheffingen.

Stap 4: vergelijk beide berekeningen met elkaar.
Op basis van de vergelijking kan men een keuze maken voor de huidige regels of de werkkostenregeling. Tot en met 2013 mag men jaarlijks deze keuze maken. Vanaf 1 januari 2014 moet men verplicht de werkkostenregeling toepassen.

Stap 5: maak afspraken met werknemers.
Indien men verwacht dat de werkkosten het forfait van 1,4% overtreffen, dan moet men afspraken maken met de werknemers over de belastingheffing. Afgesproken moet worden voor wiens rekening de belastingheffing komt. Blijven de werkkosten binnen het forfait van 1,4%, dan is het niet nodig om afspraken met de werknemers te maken.

Stap 6: maak de administratie gereed voor de werkkostenregeling.
Hiervoor hebben we aangegeven op welke wijze men de administratie gereed kan maken.

Tot slot
Wij hopen dat wij u voldoende inzicht gegeven hebben in de nieuwe werkkostenregeling. Hiermee kunt u een afgewogen keuze maken in de overgang naar de werkkostenregeling. Ook hebben wij aangegeven welke vergoedingen nog steeds onbelast kunnen worden uitbetaald.

 Bron: Belastingzaken, oktober 2010