27 september 2010

Werkkostenregeling (deel 2)


Vanaf volgend jaar krijgen we te maken met de nieuwe werkkostenregeling. In de eerste jaren is er een overgangsperiode, waarin men de keuze heeft tussen het huidige regime of de nieuwe werkkostenregeling. Om u te helpen bij de keuze besteden wij in dit artikel aandacht voor de kosten die straks nog steeds onbelast kunnen worden vergoed.

Labeling van kosten
Onder de werkkostenregeling moeten alle kosten goed worden gelabeld. Kosten kunnen onder een gerichte vrijstelling vallen, als intermediaire kosten of als werkkosten worden aangemerkt. In de eerste twee gevallen blijven de kosten buiten de belastingheffing. In het laatste geval vallen de werkkosten onder het forfait van 1,4%, met uitzondering van de werkkosten waarvoor een nihilwaardering geldt. Hierna gaan we in op de kosten waarvoor een gerichte vrijstelling of een nihilwaardering geldt. De intermediaire kosten hebben we in het eerste artikel al behandeld.
Gerichte vrijstellingen
De gerichte vrijstellingen zijn voor een groot gedeelte een voortzetting van de huidige praktijk. De gerichte vrijstellingen zijn limitatief opgesomd en hebben betrekking op de volgende kosten.

Zakelijk vervoer en woon-werkverkeer
Onder de werkkostenregeling wordt een kleine wijziging aangebracht in de reiskostenvergoeding voor zakelijke reizen en woon-werkverkeer. Onder de huidige wetgeving bedraagt de maximale reiskostenvergoeding € 0,19 per kilometer voor alle soorten vervoer. Voor openbaar vervoer geldt echter een keuzemogelijkheid: € 0,19 per kilometer of de werkelijke kosten. Onder de werkkostenregeling verdwijnt die keuzemogelijkheid en bedraagt de reiskostenvergoeding maximaal:

  • de werkelijke kosten, indien het vervoer plaatsvindt per openbaar vervoer, taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de werkgever;
  • € 0,19 per kilometer, indien het vervoer op andere wijze plaatsvindt.

Voor de auto, motor en (brom)fiets blijft dus de huidige regeling gelden. De vaste reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer blijft ook gehandhaafd. Men mag een vaste vergoeding geven aan een werknemer die op tenminste 128 dagen per kalenderjaar naar een vaste plaats van werkzaamheden reist. De vergoeding mag worden berekend alsof de werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar naar die vaste plaats van werkzaamheden reist.

Abonnement openbaar vervoer
Voor een abonnement op het openbaar vervoer geldt dat deze conform de huidige regels onbelast mag worden vergoed, mits het abonnement wordt gebruikt voor het woon-werkverkeer of zakelijke reizen (meer dan 10%). Het maakt niet uit of het om een ov-kaart, een trajectkaart of een voordeelurenkaart gaat.

Studiekosten, bijscholing, cursussen, congressen, training
De huidige vrijstellingen voor studie, cursussen, congressen en dergelijke met inbegrip van de reis- en verblijfkosten zijn omgezet in een gerichte vrijstelling. Dit geldt eveneens voor een studie of opleiding die wordt gevolgd in het kader van een procedure erkenning verworven competenties (EVC).

Maaltijden bij overwerk, koopavonden, dienstreizen
De huidige regeling dat men maaltijden onbelast mag vergoeden bij overwerk, koopavonden en zakelijke reizen blijft bestaan.

Outplacement
De kosten van outplacement kan men nog steeds onbelast vergoeden. Naast sollicitatieondersteuning biedt een outplacementtraject ook een versterking van persoonlijke vaardigheden, zoals persoonlijke effectiviteit, training van gesprekstechnieken en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid.

Verhuiskosten
De huidige praktijk wordt voortgezet. De werknemer kan een onbelaste vergoeding krijgen indien hij binnen twee jaar na aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze plaats woonde. De maximale vergoeding bedraagt € 7.750 vermeerderd met de kosten voor het overbrengen van de inboedel. Een onbelaste vergoeding is ook mogelijk bij een bedrijfsverplaatsing.

Verblijfskosten door tijdelijk werkzaamheden elders
Voor tijdelijke verblijfkosten is een gerichte vrijstelling opgenomen. Het gaat dan om maaltijden, overnachtingen en dergelijke tijdens zakelijke reizen. Ook dit betreft geen wijziging ten opzichte van de huidige praktijk.

Extraterritoriale kosten
Vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers in verband met extra kosten wegens tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst blijven onder de nieuwe regeling ook onbelast. Onder bepaalde voorwaarden kan de werkgever een onbelaste vergoeding aan de werknemer geven van maximaal 30% van het loon (30%-regeling).

Nihilwaardering
De werkkosten waarvoor een nihilwaardering geldt, zien vooral op voorzieningen rond de werkplek. Hierbij moet u denken aan voorzieningen zoals de ingerichte werkplek (met computer, telefoon enzovoort), een parkeerplaats, fietsenstalling, maar ook gereedschap en hulpmiddelen die op de werkplek worden gebruikt. De bestelauto van een loodgieter, voorzien van allerlei gereedschap en hulpmiddelen kan ook als een werkplek worden gezien. Het concept Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 regelt de nihilwaardering. Praktisch betekent dit dat die kosten net zoals de gerichte vrijstellingen vrijgesteld zijn van belastingheffing. De volgende kosten vallen onder de nihilwaardering.

Arbovoorzieningen
Voorzieningen die de werkgever doet op grond van een Arbo-plan worden conform de huidige praktijk op nihil gewaardeerd. Arbovoorzieningen kunnen bijvoorbeeld zijn geneeskundige keuringen of inentingen in het kader van preventie- en verzuimbeleid, een veiligheidsbril met geslepen glazen voor een laborant of lasser, een zonnebril voor een chauffeur of piloot, een beeldschermbril of speciale isolerende of beschermende kleding. Ook arbovoorzieningen die op de thuiswerkplek worden aangebracht, vallen onder de nihilwaardering.

Kleine consumpties
Consumpties die de werkgever op de werkplek verstrekt blijven conform de huidige praktijk buiten de belastingheffing, mits deze geen deel uitmaken van een maaltijd. Koffie, thee, snacks, soep, een gebakje bij een verjaardag of een drankje aan het einde van de werkweek zijn voorbeelden van consumpties op de werkplek.

Mobiele telefoons
De door de werkgever ter beschikking gestelde mobiele communicatiemiddelen zijn onbelast, indien het zakelijk gebruik meer dan 10% is. Dit is een beperkte voortzetting van de huidige praktijk. De voortzetting geldt alleen indien de werkgever de mobiele telefoon (of smartphone) aanschaft en deze aan de werknemer ter beschikking stelt. Hierbij gaat men er vanuit dat de telefoon na verloop van tijd of bij gewijzigde omstandigheden weer aan de werkgever wordt teruggegeven.
Een vergoeding of verstrekking van de mobiele telefoon valt onder het forfait. Dat geldt eveneens voor een vergoeding van de mobiele telefoonkosten.

Laptops, notebooks
Ook voor laptops en notebooks geldt een beperkte voortzetting van de huidige praktijk. Hiervoor geldt hetzelfde als bij de mobiele telefoon: de laptop of notebook moet door de werkgever ter beschikking worden gesteld.

Werkkleding
Onder de werkkostenregeling wordt een belangrijke beperking gesteld aan het fiscale begrip werkkleding. Kleding voorzien van een logo wordt onder de werkkostenregeling niet langer als werkkleding aangemerkt, maar valt onder het forfait. Het fiscale begrip werkkleding wordt dus beperkt tot kleding die (nagenoeg) alleen geschikt is om tijdens het werk te dragen, in het kader van de Arbo-wet wordt gedragen of op de werkplek achterblijft.
Bij kleding die alleen geschikt is om tijdens het werk te dragen komt het bijna niet voor dat een werknemer deze buiten werksituaties draagt. Zoals de kleding van een stewardess, de overall van een monteur die in een garagebedrijf werkt of de doorwerkjas in de bouw. Ook uniforme kleding, zoals de kleding van bijvoorbeeld de politie, brandweer, postbodes en conducteurs, kan als werkkleding worden aangemerkt.
Bij kleding die in het kader van de Arbo-wet wordt gedragen kan men bijvoorbeeld denken aan speciale isolerende of beschermende kleding.
Kleding die achterblijft op de werkplek kan nog steeds onbelast worden verstrekt. De werkplek moet wel gelegen zijn buiten de woning van de werknemer. De werknemer of directeur-aandeelhouder met een kantoor aan huis komt hier dus niet voor in aanmerking.
Let wel, in alle gevallen moet het gaan om kleding die door de werkgever wordt aangeschaft en daarna aan de werknemers ter beschikking wordt gesteld.

Bedrijfsfitness op de werkplek
De huidige regeling voor bedrijfsfitness komt te vervallen. Bedrijfsfitness wordt als werkkosten aangemerkt, met dien verstande dat indien de werkgever beschikt over een eigen fitnessruimte, de waarde daarvan op € 200 per werknemer per jaar wordt gesteld. Bedrijfsfitness buiten de werkplek wordt op de factuurwaarde gewaardeerd en valt voor dat bedrag binnen het forfait van 1,4%.

Rentevoordeel personeelsleningen
Op grond van de huidige regeling is het rentevoordeel op een personeelslening belast. In twee gevallen is het rentevoordeel onbelast: indien de werknemer de lening gebruikt voor de aanschaf of verbouwing van zijn eigen woning of indien hij de lening gebruik voor de aanschaf van iets waarvoor hij ook een onbelaste vergoeding had kunnen krijgen (zoals bijvoorbeeld een fiets).
Onder de werkkostenregeling wordt deze regeling beperkt en is het rentevoordeel vooralsnog alleen onbelast indien de lening wordt gebruikt voor de aanschaf van een (elektrische) fiets en naar verwachting bij de aanschaf of verbouwing van de eigen woning.

Bron: Belastingzaken sept 2010



16 september 2010

Verzeker werknemers


geplaatst in: Personeel en Salaris

Neemt één van uw werknemers tijdens werktijd deel aan het verkeer? Zorg er dan voor dat u een behoorlijke verzekering heeft afgesloten. De Hoge Raad heeft beslist dat een werkgever aansprakelijk is voor schade als een werknemer tijdens zijn werk aan het verkeer deelneemt, daarbij schade oploopt en de werkgever geen goede verzekering heeft afgesloten. Het maakt daarbij niet uit of uw werknemer als automobilist, fietser of voetganger aan het verkeer deelneemt.

Voor schade bij woon-werkverkeer bent u als werkgever niet aansprakelijk, tenzij het een zakelijk karakter heeft, zoals bijvoorbeeld het in opdracht ophalen van een collega.



Aandeel in onderhoudsreserve VvE = box 3


geplaatst in: Algemeen

Het appartementsrecht en het lidmaatschap van de vereniging van appartementseigenaren zijn verschillende rechtsfiguren. De onderhoudsreserve en het lidmaatschaprecht van de Vereniging van Eigenaren, die de onderhoudsreserve heeft gevormd, maken geen deel uit van het appartement. Het lidmaatschap moet worden aangemerkt als een vermogensrecht dat bij het bepalen van de rendementsgrondslag van box 3 in aanmerking moet worden genomen.

Een eigenaar van een appartement is tevens lid van de vereniging van eigenaren (VvE) van het appartementencomplex. Maandelijks moet hij een bedrag aan servicekosten afdragen aan de vereniging. Een deel van die bijdrage wordt toegevoegd aan het vermogen van de VvE ten behoeve van toekomstig onderhoud van het complex. Het appartement (plus een parkeerplaats) geeft de eigenaar recht op 10/994e deel van het vermogen van de VvE, zijnde € 2.781. Bij het opleggen van de aanslag IB 2004 houdt de inspecteur rekening met het aandeel in de onderhoudsreserve van de VvE en rekent dat toe aan box 3. De eigenaar vindt echter dat het aandeel in de reserve is begrepen in de WOZ-waarde van het appartement en tekent bezwaar en vervolgens beroep aan.

De Hoge Raad vindt dat het appartementsrecht en het lidmaatschap van de vereniging van appartementseigenaren verschillende rechtsfiguren zijn. Ook al vloeit het lidmaatschap van rechtswege voort uit de hoedanigheid van de appartementseigenaar, het is niet afzonderlijk vervreemdbaar en het eindigt van rechtswege wanneer een lid ophoudt appartementseigenaar te zijn. Het lidmaatschap kan niet worden aangemerkt als een gebouw en is ook niet aan te merken als een eigen woning in de zin van de wet. Volgens de wet moet worden uitgegaan van eigenwoningwaarde uit de Wet WOZ. Bij de bepaling van de waarde van een appartement dient daarom geen rekening te worden gehouden met onderhoudsreserve van een VvE. Het aandeel in de onderhoudsreserve maakt immers geen deel uit van de prijs die wordt betaald voor de onroerende zaak zelf. Kortom, ook bij de bepaling van de waarde volgens de Wet WOZ wordt geen rekening houden met de onderhoudsreserve en het lidmaatschap van de VvE. Ook als een eigenaar van een woning (geen appartement) zelf reserves voor toekomstig onderhoud aanlegt, worden deze reserves niet als deel van de eigen woning aangemerkt. Het lidmaatschapsrecht moet worden aangemerkt als een vermogensrecht dat bij het bepalen van de rendementsgrondslag van box 3 in aanmerking moet worden genomen.

Bron: Belastingzaken



Eigen bijdrage dure leaseauto


geplaatst in: Algemeen

De Hoge Raad heeft een belangrijke uitspraak gedaan over de eigen bijdrage die een werknemer betaalt voor zijn leaseauto. Wat is het geval?

Eigen bijdrage. Een werknemer krijgt van zijn werkgever een leaseauto. Hiermee mag hij maximaal 12.000 kilometer per jaar privé rijden. Voor dit privégebruik betaalt de werknemer een vaste maandelijkse eigen bijdrage van € 124,-. De werknemer wil echter graag in een grotere auto rijden. De werkgever staat toe dat de werknemer een auto leaset die boven het reguliere leasebudget valt. Het verschil in kosten wordt aan de werknemer doorberekend via een extra eigen bijdrage ad totaal € 5.203,- per jaar. De vraag is of de eigen bijdrage van de werknemer volledig in mindering mag worden gebracht op de bijtelling. Dit is namelijk alleen mogelijk voor zover de eigen bijdrage wordt betaald voor het privégebruik van de leaseauto.

Wat zegt de rechter? De Hoge Raad is van mening dat de werknemer de extra eigen bijdrage niet heeft betaald voor het privégebruik van de auto. Er bestaat volgens de Hoge Raad een wezenlijk verschil tussen het privé gebruiken van een auto en het kiezen voor een duurdere auto uit privéoverwegingen.

Gevolgen voor werknemer. Gevolg is dat de extra eigen bijdrage voor de werknemer slechts aftrekbaar is naar verhouding van het aantal privékilometers ten opzichte van het totaal aantal kilometers.

Gevolgen voor werkgever. Deze uitspraak gaat over het belastingjaar 2003. In dat jaar was de werkgever nog niet verantwoordelijk voor het inhouden van de loonbelasting over de bijtelling voor de auto van de zaak. Inmiddels is dat uiteraard wel het geval. Dit betekent dat u er als werkgever rekening mee moet houden dat bij werknemers die in een duurdere leaseauto rijden dan hun functie voorschrijft, de eigen bijdrage mogelijk niet geheel in aftrek mag worden gebracht op de bijtelling. Dat heeft gevolgen voor de door u in te houden en af te dragen loonbelasting.

Tip. Om dit probleem op te lossen, kunt u het ook zo regelen dat de werknemer niet een hogere eigen bijdrage betaalt, maar dat hij eenzelfde bedrag aan brutoloon inlevert. Óf zet op papier dat de eigen bijdrage uitsluitend bestemd is voor het privégebruik van de auto.

Zet duidelijk op papier dat de eigen bijdrage die een werknemer voor een duurdere leaseauto betaalt, uitsluitend bestemd is voor het privégebruik van de auto.

Bron: Tipsenadvies-belastingen.nl